Schrijfster Jana Elza Wuyts ontmoet in de Spaanse bergen een zwerfhond die haar leven op z’n kop zet: Boef. Samen met haar man, Marnix Peeters, probeert ze het wilde dier te laten wennen aan het leven als huishond. Jaren later zijn de rollen omgedraaid en verhuizen Jana en Marnix naar de wereld van Boef: de natuur. Met zijn drieën wonen ze nu in de Pyreneeën. En Boef? Die inspireerde Jana om drie boeken te schrijven.
Boef heeft een nieuw vriendinnetje. Ze heet Praline en is twee jaar jong — onze snoeper heeft een boon voor de jonkies. Ze leerden elkaar kennen op het Fête des Pompiers in ons Pyreneeëndorp.
Doorgaans komt Boef niet mee naar zulke feestjes, waar de barbecuehapjes en de fanfaremuziek hem toch maar in verwarring brengen, maar we zouden maar één pintje blijven: een kleine moeite om de korpsen te steunen na een zomer vol vuur.
“Wat zijn jullie egoïsten”, zei een brandweerman met geheven vinger, die werd tegengesproken door zijn vrolijke grijns. Gezien zijn leeftijd was hij op rust, maar met zijn twee meter en in dat rood-blauwe pompiersuniform kon je je zo inbeelden hoe hij vroeger dametjes uit brandende gebouwen had gedragen.
“Zelf aan het bier, maar wie denkt er aan de hond?”
“Hebt u dan water voor hem?”, vroeg ik geamuseerd.
“Of de brandweer water heeft!”
Hij beende weg en kwam terug met een volle bak voor Boef, die zich dankbaar op het drinken stortte. Wat een helden, de soldaten van het vuur. Zelfs op hun eigen feestje denken ze eerst aan een ander, zelfs aan de hond van een ander!
Toen moest het feest voor Boef nog beginnen, want niet veel later kwam de mooie Praline aangewandeld. Het meisje, een ruwharige épagneul breton, hield haar baasjes staande toen ze onze podenco in het oog kreeg. Ze bleef hem aankijken tot hij op haar afrende: deze dame verstond de kunst van het verleiden. Helaas klom Boef zoals gewoonlijk na een veel te snelle snuffel meteen op haar rug, wat hem een snauw opleverde, maar ze vergaf hem, en ze speelden vrolijk verder.
Dat klimmen is een vervelende gewoonte van Boef. Dominantie, zeggen mensen dan, maar Boef laat zich de botten van onder zijn snuit stelen, verstopt zich achter mijn benen als hij een grote hond opmerkt en heeft zelfs nog nooit zijn tanden getoond aan een soortgenoot: er zit geen dominante vezel in zijn lijf.
Een kleuterjuf vergeleek het eens met het gedrag van haar jongste pupillen op de speelplaats: onstuimig, onhandig, onzeker maar goedbedoeld. Een ‘vind mij leuk!’ van wie niet vlot spreken kan. Ik geloof dat zij gelijk heeft. Gek genoeg leert Boef niet bij, want telkens weer kijkt hij me na zo’n snauw verbaasd aan: wat doe ik toch verkeerd?
“Is dat Boef?”, vroeg het baasje, toen ik voor de duizendste keer de onbehouwen begroeting verschoonde met een verwijzing naar Boefs eenzame jeugd in de bergen.
Ik was verrast om Vlaams te horen: zelden ontmoeten we landgenoten in onze verre uithoek, laat staan dat iemand Boef herkent. Thomas is getrouwd met de Catalaanse Silvia. Ze brengen vaak de weekends door in de bergen rondom ons dorp.

Zoals het goede baasjes betaamt, regelden we prompt een playdate voor het olijke duo, zodat ze ’s anderendaags leibandloos in onze hoogomheinde tuin konden rennen.
Wat was dat een lust om te zien! Praline vond al snel een trucje om Boefs manische klimgedrag te omzeilen: ze bleef op de grond liggen en draaide zich dan razendsnel om zodat ze hem een koekje van eigen deeg kon geven. Hij hapte lieflijk in haar poten, naar haar opkijkend om haar goedkeuring te bedingen. Verliefd danste hij om haar heen alsof hij een tangoprijs in de wacht wilde slepen, terwijl zij hem aanvuurde om nog een rondje te rennen, alsof ze hem wilde zeggen: ‘Je bent toch nog niet moe, grijsaard?’ Uren kan ik daarnaar kijken.
Zeker nu hij ouder wordt en niet zo makkelijk meer vrienden maakt, koester ik die momenten dubbel. De meeste honden in ons dorp vinden Boef een rare snuiter. De jonkies en de kleine hondjes gunt hij zelf dan weer geen blik. Maar voor die mooie Praline zet hij graag zijn beste pootje voor. Wordt vervolgd.



