Schrijfster Jana Elza Wuyts ontmoet in de Spaanse bergen een zwerfhond die haar leven op z’n kop zet: Boef. Samen met haar man, Marnix Peeters, probeert ze het wilde dier te laten wennen aan het leven als huishond. Jaren later zijn de rollen omgedraaid en verhuizen Jana en Marnix naar de wereld van Boef: de natuur. Met zijn drieën wonen ze nu in de Pyreneeën. En Boef? Die inspireerde Jana om drie boeken te schrijven.
Zij kwam van het pad bij de schapenboerderij, ik uit het dennenbos hogerop – precies tegelijk kwamen we aan op de hoofdweg die naar het dorp leidt. Boef snuffelde nieuwsgierig aan haar hand. Meestal blijft hij uit de buurt van onbekenden, maar deze jonge vrouw vertrouwde hij meteen.
“Dat is opvallend”, zei ik. “Normaal is hij timide.”
Ze antwoordde: “Ik denk dat ik een hond was in een vorig leven.”
Dat vond ik een mooie openingszin.
“Misschien merkt hij dat ik mijn labrador mis”, voegde ze eraan toe. “Die is vorig jaar gestorven.”
We liepen samen de brede weg naar beneden. Ze vertelde dat ze alleen op reis was en net een kuur had gevolgd in de warmwaterbronnen van La Preste, vlak bij ons Pyreneeëndorp.

La Preste is het einde van de wereld, zeggen mijn man Marnix en ik soms met een kwinkslag: het is gelegen in een kloof, de weg stopt er en hogerop zijn er enkel nog berghutten. Het kuuroordhotel lijkt op een Wes Anderson-decor. Daar was ze het mee eens.
“Al sinds ik een kind was, kom ik naar hier”, vertelde ze. “Tot ik zelf een kind kreeg. Toen werd het te druk. Ik mis mijn dochter, maar het is goed om eens alleen te zijn. Maar het voelt wel gek om zonder hond te wandelen.”
Ze wees naar Boef. “Hoelang is hij al bij jou?”
In drie zinnen vatte ik zeven jaar samen: hoe moeilijk onze start was geweest, omdat we Boef als wilde hond in de Spaanse bergen hadden gevonden. Hij kon maar moeilijk aarden in de mensenwereld. “Maar ik geloof dat die lastige start onze band nog sterker heeft gemaakt. Het is door Boef dat wij nu in het bos wonen. Door zijn wagenziekte reisden we telkens in heel korte stukjes door Europa. Zo ontdekten we deze plek en we werden verliefd. Kijk, daar wonen we.”
Ik wees tussen de bomen door naar ons huis, aan de overzijde van het ravijn tegen de bergwand.
“Hoe bijzonder”, zei ze. “Onze dieren zetten onze levens op hun kop. Ze zeggen dat als je een kind krijgt, je honden naar de tweede plek verschuiven, maar dat herken ik niet. Toen mijn dier stierf, verloor ik zes kilo. Ik probeer het nog steeds een plaats te geven.”
Ze glimlachte. “Je treft me op een bijzonder moment. Morgen reis ik verder naar Marokko. Daar ga ik een hond ophalen. Ook zo’n eenzame schooier als jouw Boef. Ze is lelijk, net een kleine hyena. Ik wist dat niemand haar zou willen, omdat ze niet eens op een hond lijkt.”
Het was duidelijk dat ze nu al erg verliefd was.
Toen we bij onze oprit aankwamen en Boef en ik zouden afslaan, wilde hij me niet volgen. Voor hem kan de wandeling nooit lang genoeg duren. Hij ging liggen aan de voeten van de vrouw. Ze keek verrukt.
“Hij wil bij je blijven”, zei ik met een knipoog. “Kom je straks thuis met twee schooiers.”
“Blijf maar bij je vrouwtje”, fluisterde ze hem vertederd in het oor. “Je hebt het hier goed.”
“Veel geluk met je kleine hyena”, zei ik ten afscheid, toen Boef zijn toneelstukje staakte.
We keken haar nog even na. Met lichte tred ging ze de berg af, alsof ze op wolkjes liep. Ik dacht aan dat hondje in die kooi in Marokko, dat nog niet wist dat vanaf morgen alles anders zou zijn.


