Steven Van Gucht groeide op tussen honden en andere dieren. Dat is misschien wel dé reden waarom hij vandaag een van de bekendste virologen van het land is. “Op de boerderij ontstond mijn interesse in virussen”, vertelt hij.
In 2020 leerde heel Vlaanderen hem kennen toen hij ons door een pandemie loodste. Tijdens het negentiende seizoen van De Slimste Mens en in Over de Oceaan leerden we hem nog beter kennen. En nu, in WOEF, leren we ook zijn hond Frits kennen. Dat Steven Van Gucht vandaag een hond heeft, hoeft niet te verbazen. Hij groeide immers op een landbouwbedrijf op, omringd door dieren.
STEVEN VAN GUCHT: “Dieren zijn de rode draad in mijn leven. Ik ben geboren in 1976. Mijn eerste echte herinneringen gaan terug naar de jaren tachtig. We hadden thuis een kalvervetmesterij – indertijd was wit kalfsvlees nog populair – en mijn vader kweekte ook vleeskonijnen. We hadden dus een stal met kalveren en een met konijnen. Op het erf liep ook altijd een Duitse herdershond rond, die mij trouwens eens heeft gebeten.
In de tweede helft van de jaren tachtig begon mijn vader Siberische husky’s te kweken. Tot dan zag je die honden bijna niet, maar het ras werd plots erg populair, vooral exemplaren met blauwe ogen. We hadden enkele teven en een reu, en af en toe een nest. Als kind was het geweldig om daar middenin te liggen, omringd door pups. Daarnaast hebben we ook nog andere honden gehad: een bouvier, een mastino napoletano, een Yorkshireterriër, een rottweiler…
Mijn jeugd was een boeiende tijd, maar ook een periode waarin mijn interesse in diergeneeskunde en vooral virologie werd aangewakkerd. Ik werd van dichtbij geconfronteerd met infectieziekten: kalverengriep, parasieten bij de konijnen, en bij de honden het parvovirus.
In die periode was het parvovirus bijzonder moeilijk onder controle te krijgen. Hoewel er toen al een vaccin was, stierven vaak bijna volledige nesten, soms met slechts één of twee overlevende pups. Dat maakte indruk en wekte mijn nieuwsgierigheid naar virussen.”
Je bent indertijd je carrière gestart in de diergeneeskunde?
STEVEN: “Ja, ik wilde sowieso iets doen binnen de biologie of natuurwetenschappen. Maar ik twijfelde tussen geneeskunde, diergeneeskunde, biologie en bio-ingenieurswetenschappen. Uiteindelijk ben ik in 1994 begonnen aan de opleiding diergeneeskunde. Vanaf het derde jaar kregen we virologie: mijn favoriete vak.
Tijdens mijn studies liep ik ‘s zomers soms mee met een dierenarts uit mijn dorp, Filip De Bosscher. Hij werkte toen zowel met kleine huisdieren als met paarden en vee, en werkte van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. Soms werd hij ook nog eens ‘s nachts door een boer opgeroepen om een keizersnede bij een koe uit te voeren. Het was een bijzonder druk bestaan, maar wat me vooral aansprak, was het menselijke aspect: als dierenarts kom je bij de mensen thuis en hoor je hun verhalen.
Toen ik in 2000 afstudeerde, stond ik voor een moeilijke keuze. Ik kon als dierenarts gaan werken, maar kreeg ook de kans om te doctoreren aan de faculteit diergeneeskunde, in het labo virologie. Ik merkte dat mijn interesse vooral lag bij het ‘hoe’ en ‘waarom’ ziekten ontstaan en koos daarom voor de onderzoekswereld.
Mijn doctoraat ging over virussen bij varkens, onder andere het coronavirus. Lange tijd was ik de enige in België die onderzoek deed naar coronavirussen. En toen brak COVID-19 uit…”
Het rustgevende effect van dieren
Tijdens de coronapandemie trok heel Vlaanderen massaal zijn wandelschoenen aan en namen veel mensen een hond in huis. Had jij toen nog tijd om met je hond te wandelen?
STEVEN: “Tijdens de eerste lockdown had ik daar nauwelijks tijd voor. Overdag waren er crisisvergaderingen en persconferenties, en ’s avonds zat ik vaak in de televisiestudio’s van VTM en VRT voor programma’s zoals Terzake en De Afspraak. De volgende ochtend begon het opnieuw…
Frits leeft in co-ouderschap met mijn ex-partner, de moeder van mijn zoon Willem. We gingen in 2018 uit elkaar en sindsdien volgt Frits hetzelfde week-om-weekschema als mijn zoon. De ene week wonen Frits en Willem bij mij, de andere week bij mijn ex. Omdat de eerste lockdown zo’n hectische periode was waarin ik amper thuis was, zijn Frits en Willem toen een tijdje bij mijn ex gebleven. In die tijd vond ik vaak rust door mijn kippen te observeren. Die bleven gewoon verder scharrelen in de tuin alsof er niets aan de hand was. Voor hen ging het leven gewoon door. Op momenten in het leven waarin ik verdrietig of gestresseerd ben, vind ik steeds troost bij dieren. Dat hoeft geen hond te zijn: ook mijn kippen brengen me rust en als kind nestelde ik mij soms tegen de nek van een koe wanneer die rustig lag te herkauwen.
Na die eerste heftige lockdown keerden we terug naar ons normale ritme en kwamen Frits en Willem weer om de week bij mij wonen. Toen heb ik het wandelen volop ingehaald. Frits is intussen elf jaar, maar we gaan nog altijd veel op pad. Hij is nog altijd niet moe te krijgen.”
Lees verder in WOEF editie mei 2026: hier verkrijgbaar.
Tekst: Evi Maveau
Foto: Kurt Pas



