Schrijfster Jana Elza Wuyts ontmoet in de Spaanse bergen een zwerfhond die haar leven op z’n kop zet: Boef. Samen met haar man, Marnix Peeters, probeert ze het wilde dier te laten wennen aan het leven als huishond. Jaren later zijn de rollen omgedraaid en verhuizen Jana en Marnix naar de wereld van Boef: de natuur. Met zijn drieën wonen ze nu in de Pyreneeën. En Boef? Die inspireerde Jana om drie boeken te schrijven.
Boef is zeven geworden. Zijn snoet wordt steeds grijzer. Omdat zijn vorige zakken hondenvoer maar tot zeven jaar gingen, schakelden we over op seniorvoeding. Ze zeggen: het leven van een hond flitst zo voorbij. Maar het gaat nog sneller dan ik dacht. Het lijkt gisteren dat we die wilde puppy uit de Spaanse bossen plukten.
Boef is van een ongeleid projectiel ontpopt tot een tophond, maar één slechte gewoonte uit zijn puppytijd kregen we hem niet afgeleerd. Hij vreet alles wat hij kan vinden. Oude broodkorsten, platgetrapte frieten, kadavers, uitwerpselen van katten. Het goorste eerst.
“Vergeet het”, had de dierenarts gezegd. “Boef heeft een jaar overleefd van wat hij op straat kon vinden. Dat krijg je er niet uit.”
In ons Pyrenees dorp ken ik de gevarenzones: ik weet waar de oude vrouwtjes brood voor de vogels of brokjes voor de katten achterlaten. Ik ben erachter waar de katten hun gevoeg doen, en in de zomer vermijden we de kampeerplaats, waar toeristen soms rotzooi achterlaten.
Maar op wat er zich tijdens ons bezoek aan Antwerpen afspeelde, was ik niet voorbereid. Tijdens een wandeling langs de kaaien nam Boef een hap van uitwerpselen. Hij eet zo vaak vuiligheid dat ik niet meteen panikeerde. Maar toen hij zes uur later op zijn pootjes begon te wankelen, gingen alle alarmsignalen af. Dát kende ik niet: het paniekerige blaffen, de schokjes door zijn lichaam, zijn angstreactie wanneer ik hem aanraakte. Ik belde naar de spoedkliniek.
“Kom onmiddellijk”, zei de receptioniste.
Precies op dat moment braakte Boef hevig. In de taxi nog eens. Mijn trui zat onder de smurrie. Hij hield zijn plas niet meer op.
“Dit is een noodgeval”, zei de arts tegen het koppel voor ons. Meteen nam ze Boef mee naar de behandelzaal. Ik rende achter hen aan, maar de deur viel dicht. Marnix en ik bleven achter in de wachtzaal.
“Ik kan niets beloven”, zei dokteres Barbara toen ze weer verscheen. “Hij is geïntoxiceerd. We moeten afwachten hoe hij de nacht doorkomt.”

We mochten Boef nog één keer zien. Als een hoopje ellende zat hij in de verste kooi, met een infuus in zijn voorpoot. Hij kreeg actieve kool om de gifstoffen uit zijn lijf te krijgen.
“Blijf in de buurt”, zei de dokteres ter afscheid. “Als het verslechtert, bellen we meteen.”
Ik weet niet meer hoe we die nacht zijn doorgekomen. Acht op tien keer komt het goed, had ze gezegd. Twee op tien keer niet, maalde door mijn hoofd.
Om middernacht kregen we telefoon: Boef leeft nog. Meer konden ze nog niet zeggen.
“Kom morgenvroeg langs”, klonk het. “Dan weten we meer.”
Om half zeven stonden we voor de deuren van de kliniek. De hele nacht hadden we gewaakt, gebeden, gehoopt en gehuild. We vielen op onze knieën van blijdschap: daar kwam ons mannetje aangetrippeld, aan de leiband bij dokter Barbara. Hij leek nog wat wankel, maar hij keek weer enigszins pienter uit zijn ogen. Ik weende, dit keer van opluchting: we mochten naar huis. Samen. Het gevoel van dankbaarheid was overweldigend, tegelijk met het besef: zo fragiel is het geluk met onze dieren.
Boef had drugs binnengekregen. Een paar dagen later las ik in de krant dat er in Antwerpen een gebrek is aan openbare toiletten. Drugsverslaafden gaan achter een muurtje. Had dat werkelijk Boef bijna het leven gekost? Ik mag er niet aan denken dat wij onze jongen zo hadden kunnen verliezen. Je weet dat je je hond ooit moet afgeven, maar op die manier? Moge Boef nog vele jaren genieten van zijn seniorbrokken. Ons verhaal is nog niet uitverteld.



